28 april 2026 - door Kaatje Gevaert
De onderhandelingen over het nieuwe Meerjarig Financieel Kader (MFK) 2028–2034 kwamen afgelopen maand in een stroomversnelling. Zowel het Europees Parlement als de Europese Raad zetten belangrijke stappen in de aanloop naar een akkoord over de toekomstige EU-begroting. De keuzes die de komende maanden worden gemaakt, zullen mee bepalen hoe Europese middelen vanaf 2028 verdeeld worden.
Drie zaken sprongen er deze maand uit:
Het Europees Parlement kiest voor een ambitieuzer budget: Het Parlement vraagt een groter MFK, extra middelen voor innovatie, defensie en concurrentievermogen. Tegelijk wil het landbouw en cohesie beschermen.
De lidstaten zoeken moeizaam naar een compromis: Tijdens de eerste politieke bespreking in de Europese Raad kwamen de klassieke breuklijnen opnieuw naar boven: grotere budgetambities versus begrotingsdiscipline.
Nieuwe prioriteiten zetten druk op traditionele financiering: Discussies over het Europees Concurrentiefonds (ECF), nieuwe eigen middelen en de toekomst van landbouw- en cohesiefondsen tonen hoe complex de onderhandelingen worden.
Deze blog biedt een overzicht van de belangrijkste ontwikkelingen in april.
De onderhandelingen bouwen verder op het MFK-voorstel dat de Europese Commissie op 16 juli 2025 publiceerde.
De Commissie stelt een budget voor van 2 biljoen euro voor de periode 2028–2034, met een nieuwe structuur opgebouwd rond drie grote pijlers:
Nationale en Regionale Partnerschapsplannen (NRPP’s), waarin landbouw, cohesie en sociale uitgaven worden samengebracht;
een nieuw European Competitiveness Fund (ECF);
het externe instrument Global Europe.
Daarnaast wil de Commissie nieuwe eigen middelen invoeren om de terugbetaling van NextGenerationEU-schulden te financieren en nieuwe beleidsprioriteiten te ondersteunen.
Die voorstellen vormen nog steeds het uitgangspunt van de onderhandelingen, maar krijgen steeds meer kritiek vanuit het Europees Parlement en de lidstaten.
Binnen de Raad van de Europese Unie lopen de onderhandelingen verder op technisch en politiek niveau tussen de lidstaten. Daarbij spelen het roterende voorzitterschap, de ministerraden en COREPER (het Comité van Permanente Vertegenwoordigers) een centrale rol.
Op 14 april stelde het Cypriotische voorzitterschap van de Raad een eerste herwerkte negotiating box voor. Dit centrale document moet de onderhandelingen tussen de lidstaten structureren.
De focus lag op drie elementen:
het afbakenen van beleidsopties zonder cijfers;
voorbereiding van latere financiële voorstellen;
vooruitgang boeken in sectorale onderhandelingen.
Het voorzitterschap wil tegen juni een voldoende stabiel kader klaar hebben om echte politieke keuzes te maken. Een versie met cijfers wordt eind mei of begin juni verwacht.
Op 17 april bespraken de permanente vertegenwoordigers van de lidstaten (COREPER) de herwerkte Negotiating Box.
De klassieke breuklijnen blijven zichtbaar :
de “zuinige” lidstaten (zoals Nederland, Duitsland, Oostenrijk en Denemarken) verzetten zich tegen een hoger EU-budget. Ook België neemt deze positie in.
de cohesievriendelijke landen, zoals Frankrijk, Italië, Spanje, Kroatië en verschillende Centraal- en Oost-Europese landen vrezen dat cohesiebeleid verzwakt;
sommige lidstaten, zoals Spanje en Italië, vragen het einde van nationale kortingen (rebates).
Zonder concrete cijfers blijven de posities voorlopig grotendeels onveranderd.
Op 20 april kwam de ad-hocwerkgroep MFK samen om te discussiëren over:
mogelijke besparingen;
bijkomende taken;
herschikkingen binnen het budget.
Hiermee wordt de technische basis gelegd voor latere politieke compromissen.
De landbouwministers kwamen op 27 april samen in Luxemburg om de voorstellen voor het toekomstige gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) te bespreken.
Op tafel lagen onder meer:
inkomenssteun voor landbouwers;
plafonnering en degressiviteit van steun;
steun voor jonge landbouwers;
vereenvoudiging van administratieve verplichtingen.
Veel lidstaten staan kritisch tegenover verplichte plafonnering van landbouwsteun.
De Europese Raad, waarin de staatshoofden en regeringsleiders van de EU zetelen, had eerder de ambitie uitgesproken om tegen eind 2026 een akkoord te bereiken.
Op 24 april bespraken de EU-leiders op een informele top in Nicosia voor het eerst het MFK op het hoogste politieke niveau. De discussie werd omschreven als constructief, maar de traditionele breuklijnen blijven duidelijk zichtbaar:
Lidstaten zoals Frankrijk, Italië en verschillende cohesievriendelijke landen wilen een groter budget om nieuwe prioriteiten zoals defensie, innovatie en energie te financieren.
Andere lidstaten, waaronder Duitsland, Nederland en België, benadrukken het belang van begrotingsdiscipline en pleiten voor een beperktere of hervormde EU-begroting. Belgisch premier Bart De Wever gaf tijdens de top in Cyprus aan dat het totale budget volgens hem moet dalen.
Nieuwe eigen middelen stonden centraal in het debat. Commissievoorzitter Ursula von der Leyen benadrukte dat zonder nieuwe inkomsten de keuze neerkomt op hogere nationale bijdragen of minder Europese uitgaven.
Europees Raadsvoorzitter António Costa wil het dossier versnellen en mikt nog steeds op een akkoord tegen eind 2026. Hij benadrukte dat de EU haar ambities moet afstemmen op de nodige middelen, zowel voor traditionele beleidsdomeinen als voor nieuwe prioriteiten zoals defensie, concurrentievermogen en de energietransitie.
Toch lijkt een akkoord tegen eind 2026 ambitieus. Verschillende leiders wezen erop dat de standpunten nog ver uit elkaar liggen en dat een doorbraak mogelijk pas in 2027 komt.
Het Europees Parlement positioneerde zich in april duidelijk als ambitieuze onderhandelaar in het MFK-dossier:
De co-rapporteurs maakten duidelijk dat het Parlement mikt op een budgetplafond van 1,27% van het EU-BNI, exclusief de terugbetaling van NextGenerationEU-schulden. Het wil bijkomende middelen wil voor defensie, concurrentievermogen en strategische autonomie, zonder te raken aan landbouw en cohesie.
De Begrotingscommissie (BUDG) vraagt een budget dat ongeveer 10% hoger ligt dan het Commissievoorstel. Het verwerpt het principe van “één plan per lidstaat”, wil aparte enveloppes voor landbouw, cohesie en ESF+ behouden en vraagt minstens €60 miljard per jaar aan nieuwe eigen middelen.
Volgens het Parlement komt het Commissievoorstel in reële termen neer op een quasi-bevriezing van het budget. Daarnaast legt het Parlement sterk de nadruk op transparantie, controleerbaarheid en rechtsstaatconditionaliteit.
Het Parlement bespreekt en stemt plenair over het interimapport, dat daarna het formele politieke mandaat vormt voor onderhandelingen met de Raad.
Daarnaast focust het Parlement ook sterk op het voorgestelde European Competitiveness Fund (ECF), met voorstellen voor een groter en gerichter fonds dat innovatie, strategische technologieën, defensie en digitalisering moet ondersteunen. Tegelijk blijven ook landbouw en cohesie gevoelige dossiers.
Daarnaast focust het Parlement ook sterk op het voorgestelde European Competitiveness Fund (ECF), met voorstellen voor een groter en gerichter fonds dat innovatie, strategische technologieën, defensie en digitalisering moet ondersteunen. Tegelijk blijven ook landbouw en cohesie gevoelige dossiers.
Ook andere instellingen en adviesorganen mengden zich in het debat.
De Europese Rekenkamer blijft kritisch over:
transparantie;
fraudegevoeligheid;
het gebrek aan kostprijsanalyse.
Het EESC pleit voor:
proportionele hervormingen;
economische duurzaamheid;
voldoende flexibiliteit voor lidstaten.
De komende maanden worden cruciaal voor de onderhandelingen.
Belangrijke volgende stappen:
28/29 april: plenaire stemming in het Europees Parlement over het interim-rapport;
mei: bilaterale gesprekken tussen voorzitterschap en lidstaten;
eind mei / begin juni: eerste negotiating box met cijfers;
juni: politieke bespreking in de Raad Algemene Zaken en Europese Raad.
Hoewel de Raad mikt op een akkoord tegen eind 2026, wordt steeds vaker rekening gehouden met een latere doorbraak begin 2027.
Voor Vlaamse stakeholders zijn deze onderhandelingen bijzonder relevant. De keuzes die de EU maakt over cohesie, landbouw, innovatie, defensie en concurrentievermogen zullen rechtstreeks bepalen welke financieringsmogelijkheden er beschikbaar zijn in de volgende programmaperiode.