MFK 2028-2034: Ierland brengt knelpunten in kaart

03 augustus 2026 - door Kaatje Gevaert

In juli 2026 nam Ierland de leiding over de onderhandelingen over het volgende Meerjarig Financieel Kader (MFK) voor 2028-2034. Tijdens deze eerste maand van het Ierse EU-voorzitterschap lag de nadruk op het scherpstellen van de posities van de lidstaten en het voorbereiden van de volgende onderhandelingsfase. Daarbij kwamen drie belangrijke aandachtspunten naar voren::

  • Grote verdeeldheid over de omvang en financiering van de EU-begroting.

  • Brede weerstand tegen strengere voorwaarden voor de uitbetaling van middelen.

  • De verwachting dat in het najaar de eerste concrete compromissen op tafel komen.

Ierland begint aan een race tegen de klok

Sinds 1 juli leidt Ierland de werkzaamheden in de Raad. Het Ierse EU-voorzitterschap wil tegen het einde van 2026 een politiek akkoord tussen de 27 lidstaten bereiken, zodat de nodige wetgeving in 2027 kan worden afgerond en Europese programma’s vanaf 1 januari 2028 zonder onderbreking kunnen starten.

Tijdens de Raad Algemene Zaken van 14 juli identificeerde het Ierse voorzitterschap drie centrale knelpunten: 

  • de totale omvang van het MFK, 

  • de invoering van nieuwe eigen middelen 

  • het evenwicht tussen traditionele uitgaven zoals landbouw en cohesie enerzijds en nieuwe prioriteiten zoals defensie, concurrentievermogen en energiezekerheid anderzijds.

De gesprekken van juli leverden nog geen echte doorbraak op. Ierland gebruikte de maand vooral om de posities van de lidstaten in kaart te brengen. Na de zomer volgen nieuwe ministeriële besprekingen, waarna het voorzitterschap in oktober een aangepaste onderhandelingsbox met bedragen wil voorleggen.

Groot meningsverschil over de omvang van de begroting

De tegenstelling tussen de zogenoemde zuinige of moderniserende lidstaten en de “Vrienden van Cohesie” blijft fundamenteel. Duitsland zou tot €400 miljard willen schrappen uit het oorspronkelijke Commissievoorstel van bijna €2.000 miljard. Landen als Frankrijk, Italië, Spanje en Polen pleiten daarentegen voor een ambitieuzer budget en willen landbouw- en cohesiemiddelen zoveel mogelijk beschermen.

Commissievoorzitter Ursula von der Leyen waarschuwde dat er zonder nieuwe Europese inkomsten of hogere nationale bijdragen jaarlijks ongeveer €66 miljard zou moeten worden bespaard. Dat zou neerkomen op een vermindering van ongeveer 40% tegenover het Commissievoorstel.

Begrotingscommissaris Piotr Serafin benadrukte bovendien dat een kleinere Europese begroting niet noodzakelijk tot lagere overheidsuitgaven leidt. Investeringen in defensie, onderzoek, energie en infrastructuur zullen hoe dan ook moeten worden gefinancierd, hetzij gezamenlijk op Europees niveau, hetzij afzonderlijk door de lidstaten.

Nieuwe eigen middelen blijven de moeilijkste puzzel

Vrijwel alle lidstaten erkennen inmiddels dat de inkomstenzijde dringend moet worden aangepakt. Toch bestaat er nog geen consensus over de vijf voorstellen van de Commissie en de drie aanvullende ideeën van het Europees Parlement.

In juli werd ook het voorstel besproken om een deel van de inkomsten uit veilingen van telecomfrequenties voor 5G en 6G naar de Europese begroting te laten vloeien. Volgens het voorstel zou 75% van die opbrengsten naar het MFK gaan en 25% naar een investeringsfonds van de Europese Investeringsbank. De lidstaten lijken echter weinig bereid om deze nationale inkomstenbron aan de EU over te dragen.

De financieringsdiscussie krijgt bovendien een politieke dimensie door de Franse presidentsverkiezingen van 2027. Zelfs wanneer de EU27 eind 2026 een politiek akkoord bereiken, is het MFK nog niet definitief. Het besluit over de eigen middelen moet unaniem worden goedgekeurd en vervolgens door alle lidstaten worden geratificeerd. Een toekomstige Franse regering zou dat proces in theorie kunnen vertragen of opnieuw ter discussie stellen.

Verzet tegen hervormingen als voorwaarde voor subsidies

Een tweede grote breuklijn betreft het voorstel om Europese betalingen te koppelen aan de uitvoering van hervormingen uit de landspecifieke aanbevelingen van de Commissie.

Elf lidstaten, waaronder België, Frankrijk, Italië, Spanje en Polen, verzetten zich tegen het bindende karakter van deze aanbevelingen. Zij vrezen dat hervormingen rond pensioenen, arbeidsrecht, belastingen of justitie indirect vanuit Brussel zouden worden opgelegd.

Voor federale landen zoals België speelt daarnaast de vraag wie wordt gestraft wanneer een nationale overheid een hervorming niet uitvoert. Regio’s of steden zouden cohesiemiddelen kunnen verliezen voor beslissingen waarvoor zij zelf niet verantwoordelijk zijn. Alleen Nederland sprak tijdens de bespreking openlijk steun uit voor de voorgestelde koppeling.

Lidstaten willen meer tijd om middelen te besteden

Ook de voorgestelde N+1-regel botst op brede weerstand. Volgens die regel zouden middelen al verloren gaan wanneer zij niet binnen één jaar worden vastgelegd en gedeclareerd. Veertien lidstaten vragen minstens twee jaar, terwijl een deel de bestaande N+3-regel wil behouden.

De tegenstanders stellen dat één jaar onvoldoende is voor complexe infrastructuur-, cohesie- en investeringsprojecten. Ook binnen het Europees Parlement bestaan twijfels over de haalbaarheid van de maatregel.

Daarnaast verwierpen elf lidstaten het voorstel voor een aanpasbare inflatiecorrectie op de begrotingsplafonds. De Commissie wil de vaste deflator van 2% behouden, maar een aanpassing mogelijk maken wanneer de inflatie onder 1% of boven 3% uitkomt. Veel hoofdsteden verkiezen echter de voorspelbaarheid van een volledig vaste methode.

Groene voorwaarden worden inzet van stevige onderhandelingen

De toepassing van het beginsel “do no significant harm”, waarbij Europese uitgaven geen aanzienlijke milieuschade mogen veroorzaken, blijft omstreden.

De Commissie overweegt uitzonderingen voor defensie en veiligheid, crisissituaties en projecten van zwaarwegend openbaar belang. Italië wil nog verder gaan en pleit voor een vermoeden van naleving: activiteiten die aan de bestaande Europese milieuwetgeving voldoen, zouden automatisch als verenigbaar met het beginsel worden beschouwd.

Het Europees Parlement toont een verdeeld beeld. De milieucommissie wil een afzonderlijke doelstelling waarbij 10% van de begroting naar biodiversiteit gaat, naast de bredere doelstelling van 35% voor klimaat en milieu. Andere parlementaire commissies zijn terughoudender en willen de milieuprocedures juist beperken.

Ook het voortbestaan van het LIFE-programma kwam aan bod. Verschillende lidstaten waarschuwen dat opname in bredere financieringsinstrumenten kan leiden tot minder zichtbaarheid en minder gerichte middelen voor natuur, biodiversiteit en klimaat.

Druk om bestaande programma’s te beschermen

Naast de grote institutionele discussies klonk in juli ook bezorgdheid over afzonderlijke Europese programma’s. Een coalitie van 32 Europese netwerken vroeg een hoger budget voor AgoraEU en het behoud van CERV+. Zij verzetten zich tegen een voorgestelde vermindering van €300 miljoen en vragen €10,72 miljard voor AgoraEU, waarvan €3,593 miljard voor CERV+.

Voor Erasmus+ werd gepleit voor behoud van de bestaande programma-architectuur, een duidelijkere verdeling van de middelen en betere toegang voor kansarme deelnemers. Ierland onderstreepte daarnaast dat de toekomstige cohesiepolitiek regionale verschillen moet blijven verkleinen en dat geen enkele regio achter mag blijven.

Vooruitblik: de echte compromissen volgen in het najaar

Juli maakte vooral duidelijk waar de onderhandelingen zullen botsen. Er is brede overeenstemming over de noodzaak om het MFK tijdig vast te leggen, maar nog nauwelijks over de omvang, de inkomsten en de voorwaarden die aan Europese financiering worden verbonden.

Na de zomer moet het Ierse voorzitterschap deze uiteenlopende standpunten omzetten in concrete bedragen en compromisteksten. De belangrijkste politieke test volgt in oktober, wanneer de Europese leiders een nieuwe onderhandelingsbasis krijgen. Een akkoord tegen eind 2026 blijft mogelijk, maar de kloof tussen de ambities van de Unie en de financiële bereidheid van de lidstaten is nog steeds bijzonder groot.