U heeft thema's geselecteerd om te volgen, maar deze worden niet opgeslagen zolang u niet bent ingelogd. Login of registreer om deze thema's te blijven volgen.

Commissie stelt omzetting internationale minimumbelasting voor

23 December 2021 - door Liese Dewilde

Op 22 december stelde de Commissie een richtlijn voor die voorziet in een minimum effectief belastingtarief voor de wereldwijde activiteiten van grote multinationale groepen. De richtlijn zet het OESO/G20 akkoord over de internationale hervorming van de vennootschapsbelasting van oktober om, specifiek de tweede pijler daaruit.

  • Het EU-voorstel volgt de OESO-modelvoorschriften.
  • De tekst voorziet in regels over het toepassingsgebied, het berekenen van het effectieve belastingtarief, uitzonderingen en overgangsperiodes.
  • De lidstaten in de Raad zullen nu unanieme overeenstemming moeten bereiken.
Commissie stelt omzetting internationale minimumbelasting voor

Commissaris voor Economie, Paolo Gentioloni, zei het volgende: "De richtlijn zal rechtszekerheid bieden en ervoor zorgen dat de regels van de tweede pijler worden vastgesteld op een wijze die verenigbaar is met het EU-recht".

Internationale overeenkomst - Minimum effectief belastingtarief voor wereldwijde activiteiten

In oktober bereikten 136 van de 140 landen bij de OESO/G20 onderhandelingen een akkoord over de internationale herziening van de vennootschapsbelasting. Het akkoord omvatte een tweepijleroplossing. De eerste pijler omvat de herverdeling van belastingheffingsrechten van het thuisland van multinationals naar de markten waar ze actief zijn of winst maken. De tweede pijler introduceert een wereldwijd minimumtarief van 15% vennootschapsbelasting. Het is die tweede pijler die nu door de Commissie is omgezet.

Begin deze week publiceerde de OESO-aanbevelingen over de omzetting van de tweede pijler van de internationale overeenkomst.  Het Commissievoorstel volgt die modelvoorschriften op de voet. Enkel de werkingssfeer van de richtlijn wordt aangepast. Ook zuiver binnenlandse groepen zullen er immers onder vallen. Deze afwijking van de OESO-modelregels is nodig om aan de fundamentele vrijheid van vestiging van de EU te voldoen.

De EU komt met dit voorstel haar belofte na om zeer snel te handelen. Ze onderneemt als één van de eerste actie om het recente historische mondiale akkoord over belastinghervorming ten uitvoer te leggen. Eurocommissaris voor een Economie die Werkt voor Mensen, namelijk Valdis Dombrovskis, zei: “Door snel op één lijn te komen met de verstrekkende OESO-overeenkomst, draagt Europa ten volle bij aan de totstandbrenging van een eerlijker mondiaal systeem voor vennootschapsbelasting.”

Toepassingsgebied: multinationale groepen

De voorgestelde regels zullen gelden voor elke grote groep met gecombineerde financiële inkomsten van meer dan 750 miljoen euro per jaar. Deze groep kan zowel internationaal als nationaal zijn, met een moedermaatschappij of dochteronderneming gevestigd in een EU-lidstaat. Ook de financiële sector zou hieronder vallen.

Berekeningen van het belastingtarief

Het effectieve belastingtarief wordt per rechtsgebied vastgesteld door de betaalde belastingen te delen door hun inkomsten. Als het effectieve belastingtarief voor de entiteiten van een bepaald rechtsgebied lager is dan het minimum van 15%, treden de regels van de tweede pijler in werking. Dan moet de groep een aanvullende heffing betalen om het tarief tot 15% te brengen. Die aanvullende heffing wordt ook wel ‘Income Inclusion Rule’ genoemd. Deze aanvullende heffing is van toepassing ongeacht of de dochteronderneming als dan niet is gevestigd in een land dat de internationale OESO/G20-overeenkomst heeft ondertekend.

In de internationale overeenkomst stemden alle landen in met een transparante manier om het effectieve belastingtarief te berekenen. De nodige berekeningen zullen worden verricht door de uiteindelijke moedermaatschappij van de groep, tenzij de groep een andere entiteit aanwijst.

Als een groep is gevestigd in een niet-EU land waar het minimumbelastingtarief niet wordt gehandhaafd, passen de lidstaten de ‘regel van te laag belaste belastingen’ toe. Dat is een soort vangnet voor de primaire regel. Een lidstaat kan dan een deel van de aanvullende heffing (die verschuldigd is op het niveau van de groep) daadwerkelijk innen als sommige rechtsgebieden (waar groepsentiteiten gevestigd zijn) onder het minimumniveau belasten en geen aanvullende heffing opleggen. Het bedrag dat een lidstaat dan als aanvullende heffing zal innen van de entiteiten op zijn grondgebied, wordt bepaald op basis van werknemers en activa.

Uitzonderingen en overgangsperiodes

Het Commissievoorstel voorziet in een uitsluiting van minimale inkomensbedragen. Wanneer de inkomsten en winsten in een rechtsgebied onder een bepaald minimumbedrag liggen, zal er geen aanvullende heffing worden toegepast. Dit geldt zelfs wanneer het effectieve belastingtarief lager is dan 15%.

Ook zullen ondernemingen een bedrag aan inkomsten kunnen uitsluiten van de aanvullende heffing. Het idee hierachter is om een vast bedrag aan inkomsten uit te sluiten dat betrekking heeft op materiële activiteiten zoals gebouwen en mensen. Ondernemingen kunnen namelijk een bedrag van inkomsten dat ten minste 5% van de waarde van de materiële activa en 5% van de loonsom bedraagt, uitsluiten. Dat wordt een ‘substance carve-out’ genoemd.

Met betrekking tot de substance carve-out gelden overgangsperiodes. Voor de eerste 10 jaar is er een overgangsregeling waarbij de substance carve-out begint bij 8% van de boekwaarde van materiële activa en 10% van de loonkosten. Voor materiële activa daalt het percentage de eerste vijf jaar jaarlijks met 0,2% en de rest van de periode met 0,4%. In het geval van loonkosten daalt het tarief jaarlijks met 0,2% gedurende de eerste vijf jaar en met 0,8% gedurende de resterende periode.

Een laatste uitzondering vormen inkomsten uit de internationale scheepsvaart. Die worden uitgesloten van de werkingssfeer van de overeenkomst, omdat voor die sector bijzondere belastingregels gelden.

Volgende stappen

In de Raad zal eenparigheid van stemmen van de lidstaten nodig zijn. Het Europees Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité zullen ook moeten worden geraadpleegd en hun advies moeten geven.

Het Franse voorzitterschap van de Raad in de eerste helft van 2022 streeft naar een akkoord tegen eind juni.

 

Het volledige Commissievoorstel kan je hier vinden.

Your VLEVA-contact for this theme

Create an account

Follow us